|
Luchtverontreiniging kan tot acute en chronische gezondheidsklachten leiden; van keel- en neusiritaties tot zware astmatische klachten en hart- en vaatziekten. Het doel van luchtkwaliteitsbeleid is de luchtkwaliteit te verbeteren ter bescherming van mensen tegen dit soort risico’s. Sommige groepen mensen (bijv. ouderen, kinderen, astmapatiënten) zijn extra gevoelig voor luchtverontreiniging. Hoge concentraties fijn stof en andere stoffen leiden er toe dat in Nederland honderdduizenden mensen een verminderde longfunctie hebben, tienduizenden meer last van luchtwegklachten en hart- en vaatziekten hebben. En dat de levensduur van alle Nederlanders met gemiddeld één jaar verkort wordt, variërend van enkele weken voor sommigen tot een tiental jaren voor anderen.
Het Rijk beschouwt het terugdringen van schadelijke luchtverontreiniging dan ook als een prioriteit. Probleem is dat er nog geen veilige norm bekend is, waar beneden geen gezondheidsklachten verwacht worden. Echter, naarmate er minder van verontreinigende stoffen in de lucht zijn, lopen we minder risico. In de wet staan daarom normen voor de luchtkwaliteit. Gezondheidskundig gezien beschermen deze normen echter niet voldoende. Vooral de norm voor fijn stof (PM10) is te hoog. De Wereld Gezondheidsraad (WHO) heeft namelijk als advieswaarde 20 ug/m3 gesteld, waar de Europese norm op 40 ug/m3 ligt. De belangrijkste stoffen waar in Nederland nu nog overschrijdingen van deze normen van voorkomen, zijn met name stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). 's Zomers, tijdens smogperiodes, kan ook ozon (O3) in hoge concentraties voorkomen.
Lees verder> |